Joris Beckers (UAntwerpen): “Pakje ophalen? Dat doen we in de toekomst in een microhub”

Niemand in de retail kan vandaag nog om e-commerce heen. Maar hoe houdbaar is de elektronische handel ecologisch en economisch? “50 à 75 procent van de distributiekost ligt vandaag bij de ‘last mile’”, zegt Joris Beckers, onderzoeker aan de UAntwerpen. “Niet verbazend dat bedrijven hard op zoek zijn naar oplossingen daarvoor. De toekomst ligt volgens mij in microhubs in de stad.”

 

Joris Beckers heeft de voorbije vier jaar onderzoek gedaan naar e-commerce, en dan vooral de ‘last mile’ en de impact ervan op steden. “Vier jaar geleden stond e-commerce nog in zijn kinderschoenen, vandaag is het een sector die enorm in beweging is”, zegt hij. “Het nadeel is dat het werk dat ik vier jaar geleden gedaan heb, vandaag al achterhaald is. Maar het voordeel is dat er veel interesse is voor wat we doen. Veel bedrijven testen heel veel formules uit om de kosten van de ‘last mile’ zoveel mogelijk te drukken. Ze zijn heel benieuwd naar ons onderzoek. De kostprijs van de befaamde ‘last mile’, de stap tussen het laatste distributiecentrum en de consument, is bij e-commerce heel groot: 50% tot 75% van de distributiekost. Dat is veel hoger dan bij de klassieke distributie. De kosten bestaan uit het uurloon voor de chauffeur, de vrachtwagen, de brandstof, parkeerplaats. Dat is een aanzienlijke kost die er zomaar bijgekomen is en waarvoor bedrijven op alle mogelijke manieren een oplossing zoeken. De kostprijs is gelinkt aan de densiteit: hoeveel pakjes kan je leveren op een plaats? In de stad valt dat nog mee, maar op het platteland is de kost tot tien keer zo groot. Los daarvan is er ook een maatschappelijke kost, die te maken heeft met de grotere CO2-uitstoot en verkeerscongestie.

 

Die maatschappelijke kost hebben jullie gekwantificeerd.

 

(knikt) Volgens onze berekeningen kost het leveren van zo’n pakje 30 eurocent per pakje. Dat lijkt misschien niet veel, maar als je weet dat er minimum 150.000 pakjes per dag geleverd worden, kost dat de maatschappij 45.000 euro per dag. En dat is naar alle waarschijnlijkheid een onderschatting, want in realiteit worden er veel meer pakjes vervoerd. Het aantal neemt nog elke dag toe. Alleen willen niet alle bedrijven daar cijfers over geven.

 

Bedrijven zoeken koortsachtig naar manieren om de kosten van de ‘last mile’ te drukken. Lukt dat ook?

 

Het moeilijke is dat het allemaal zo snel gaat. Een kant-en-klare oplossing vinden is niet eenvoudig. Albert Heijn heeft bijvoorbeeld een hele tijd geleden een contract afgesloten met bol.com. In het begin zullen dat vijf boeken per week geweest zijn. Dat is behapbaar. Maar intussen komen er ook koelkasten toe. Dat is wel een heel grondige aanpassing voor een kassierster in de Albert Heijn. De bedrijven zitten allemaal te innoveren, er komen voortdurend nieuwe experimenten, met één doel: een gouden oplossing vinden.

 

Bestaat er zo’n gouden oplossing?

 

Dat weet ik niet, maar ik zie wel toekomst voor pick-uppunten op wijkniveau. Microhubs, noem ik die. Eén voorbeeld van een initiatief in die richting is Cubee van bpost, dat lockers onder meer in stations plaatst. Verschillende koerierbedrijven leveren daar. Dat is een voorbeeld van een samenwerking waar we naartoe moeten. Je hebt ook initiatieven zoals bpost die een pashokje in een pick-uppunt opent, zodat je alles meteen kan terugbezorgen. In dat soort microhubs zit toekomst.

 

Er zijn heel veel tests met distributiecentra aan de rand van de stad.

 

Ja, maar daar zie ik minder toekomst in. Het is allesbehalve evident om een hele stad te organiseren vanuit een punt aan de rand. Onder meer omdat er onvermijdelijk bedrijven bij betrokken zijn die elkaars concurrenten zijn. Je moet in de stad zijn, zo dicht mogelijk bij de consument. Maar we moeten ook weg van gratis thuisleveringen voor iedereen. Dat model is niet houdbaar. Je moet je ook vragen stellen over snelle leveringen, waar steeds meer bedrijven mee uitpakken. Er bestaan verschillende studies die aangeven dat consumenten dat niet zo belangrijk vinden. Ze vinden prijs belangrijker dan snelheid van leveren. Kijk naar Alibaba: dat heeft levertijden tussen 17 en 29 dagen. Toch zijn ze populair, ook bij ons. Bedrijven bieden het aan omdat ze zich van anderen willen onderscheiden. Hetzelfde geldt voor gratis leveringen. Het wordt gedaan omdat anderen het doen, ook al wordt er verlies op gemaakt. Ik denk dat al die bedrijven elkaar kapot zitten te beconcurreren tot er één overblijft.  Niet voor niets stopt Zalando nu met het gratis terugsturen van producten. Dat is niet houdbaar.

 

Er zijn steeds meer cargofietsen te zien in steden. Zijn die de oplossing?

 

Als je op dit moment de bestelwagen naast de fiets plaatst, is de bestelwagen nog altijd goedkoper, omdat ze veel meer in één keer kunnen vervoeren. Maar door de nadruk op snellere leveringen, waardoor je niet zoveel meer in één keer vervoert, wordt de fiets misschien wel voordeliger. Zeker als je ziet hoe het verkeer dichtslibt in steden. Coolblue kondigde recent aan om binnen de twee uur te leveren in Antwerpen. Dat doen ze met fietsen. Ze pakken er mee uit en zeggen dat ze milieuvriendelijk zijn, maar ze doen het omdat het gewoon sneller is. En het heeft geen zin om één pakje in een bestelwagen te stoppen.

 

Steden hebben er zelf ook belang bij om e-commerce in goede banen te leiden.

 

Uiteraard: de maatschappelijke kost voor 30 eurocent per pakje is voor hen, onrechtstreeks. Je merkt dat er op dat niveau veel beweegt. Steden willen steeds meer controle over mobiliteit en logistiek, omdat die belangrijk zijn voor de leefbaarheid. Zij nemen meer en meer initiatief. Gent is een van de steden die voorop loopt. Zij hebben de dienst Gent Levert. Dat is een stap in de richting van een ecosysteem waarbij verschillende partijen betrokken zijn. Ik denk dat de geesten gerijpt zijn dat het op dit moment ecologisch en economisch niet houdbaar is.

 

Duwt e-commerce andere vormen van retail in de verdrukking?

 

Dat denk ik niet. Je hebt drie types van retail: het funshoppen in de stad, het runshoppen, waarbij snelheid en gemak belangrijk zijn, en het sofashoppen. Elk heeft zijn eigen momenten en we gaan naar een combinatie van die drie. Er zijn natuurlijk kleinere provinciesteden die daaronder lijden. Het funshoppen vindt plaats in grotere steden, waar naast shoppen ook iets te beleven is. Je ziet ook dat steden als Sint-Niklaas daar initiatief in nemen: het heeft een faciliteitenruimte geopend waar je lockers hebt, naast andere diensten voor shoppers. Steden spelen daar zelf een actieve rol in. Ze willen niet dat hun centra doodbloeden.

 

Auteur: 

d.soenens@gondola.be