Wastemanagement

Retailers moeten ook sorteren
Ook retailers produceren afval: verpakkingsafval, onverkoopbare groente, fruit en vlees en eigen afval. Dat kan niet in een gewone bruine vuilniszak of in een groene huishoudelijke gft-container. Hoe moeten ze hun ‘waste-management uitvoeren’?

‘Afval bestaat niet’ staat er te lezen op de vrachtwagens van Van Gansewinkel. Voor dat bedrijf is afval het begin van iets moois, van iets nieuws. Maar voor de gemiddelde retailer bestaat afval wél en hij kan dat niet zomaar met de gemeentelijke vuilnisdiensten meegeven. Wat de individuele burger mag meegeven is al beperkt - en vastgelegd in regels. Neem papier en karton. Dat mag niet meer bedragen dan 1 kubieke meter per ophaalbeurt. Als het ietsjes meer is, zal de ophaaldienst een oog toeknijpen. Een kleine kruidenier kan daar misschien net mee wegkomen, maar een grotere retailer heeft al gauw veel meer dan 1 kubieke meter aan papier en karton. Dus moet hij een alternatief voor de publieke dienst zoeken. En papier en karton vormen dan nog maar één van afvalstromen die een winkelier heeft.

De Vlaamse gemeenschap maakt het onderscheid tussen bedrijfs- en huishoudelijk afval. De overheid verplicht de burger te sorteren: papier en karton apart, pmd apart (blikjes, tetrabrik...), groente-, fruit- en tuinafval apart en het restafval apart. De kosten van het ophalen betaalt de burger via zijn gemeentebelasting en via de aankoop van officiële vuilniszakken en stickers voor de gft-bak en grof huisvuil.

Maar bedrijven die meer afval produceren dan een privé-persoon en dus geen gebruik maken van de gemeentelijke vuilnisdiensten, zijn in principe niet verplicht zo ver te gaan in de sortering van hun afvalstromen. Ondernemingen moeten zelf opdraaien voor de kosten van de afvalophaling via privé-bedrijven als Van Gansewinkel. “We raden ondernemingen echter aan om toch zo veel mogelijk te sorteren,” zegt Pascale Hendrickx, marketing & sales manager van Van Gansewinkel in ons land. “De duurste oplossing voor bedrijven is immers om alles bij elkaar te stoppen. Hoe meer je kunt sorteren, hoe goedkoper het is. De duurste afvalstroom is die van het restafval.” Bij ‘voorsortering’ doet het bedrijf al een deel van het werk dat anders door de afvalverwerker gedaan zou moeten worden. De kosten die die aflvalbedrijven aanrekenen, dekken het transport en de verwerking. “Maar een kleine retailer heeft vaak niet de tijd en de ruimte om te sorteren,” aldus Hendrickx.

Voeding

Pascale Hendrickx verdeelt de afvalstromen bij een retailer in drie gebieden: karton en papier, onverkochte voeding (verpakt en onverpakt) en restafval. Dat betekent dat voor elke stroom verschillende recipiënten aanwezig moeten zijn. “Voor verpakte en onverpakte voedingsmiddelen zijn er aparte bioboxen,” legt Hendrickx uit. “Volle bioboxen nemen we mee en laten andere, propere weer achter. Dat afval krijgt een speciale verwerking en wordt om gezet in groene energie. De verpakte voedingsartikelen gaat eerst in een ’ontpakkingsmachine’. Daarom moeten verpakte en onverpakte voedingsproducten apart verzameld worden.”

Voor de andere afvalstromen krijgen de winkeliers rolcontainers die ter plaatse geleegd worden. Tenzij er grote containers (te vergelijken met bouwcontainers) geplaatst zijn die ook omgewisseld worden. Er is ook nog een stroom klein gevaarlijk afval zoals gebruikte tl-lampen. Dat is afval dat niet specifiek is voor retailers, maar in elke ondernemingen voorkomt. Ook personeel ‘produceert’ afval: een blikje frisdrank, fruit, verpakkingspapier. Dat afval komt nu nog samen in het restafval. Maar in Vlaanderen worden bedrijven vanaf 1 juli volgend jaar verplicht om dat afval te sorteren. Er zullen dus aparte pmd-, gft- en restafvalbakken voor het personeel komen.

Erkenning

Als buitenstaander zou je denken dat de grote retailers hun eigen vrachtwagens kunnen gebruiken om afval van de winkels mee te nemen, dat centraal verzamelen en dan laten ophalen door de verwerkers. Dat is te simpel gedacht. Voor papier, karton en plastic kan dat nog, maar voor restafval en zeker voor voedingsmiddelen kan dat niet. “Om restafval op de baan te mogen brengen, moet je erkend ophaler zijn,” zegt Pascale Hendrickx. “We hebben daarvoor contracten met de grote retailketens. Dat zijn contracten die voor een aantal jaar afgesloten worden. We doen immers een investering in containers.”

De retailers zelf moeten zich ook organiseren. De afvalcontainers moeten in principe in een aparte ruimte of deel van het terrein ondergebracht worden. Dat geldt niet alleen voor alleenstaande winkels, maar ook voor winkelcentra. In shoppingcentra is het afval centraal geregeld. Is er bijvoorbeeld een supermarkt in zo’n centrum gevestigd, dan gelden de afspraken tussen de supermarktketen en de afvalophaler niet. De uitbater van het shoppingcentrum is dan verantwoordelijk. Die voorziet de winkels van containers of zakken die op een centraal punt verzameld worden. Daar is over nagedacht. Pascale Hendrickx: “We worden als Van Gansewinkel dikwijls al betrokken bij de bouwfase van een shoppingcentrum. Er moet een afvallokaal komen, er moet een interne flow zijn. We moeten ook nagaan of we er met een vrachtwagen kunnen komen.” Dat is inderdaad ook een punt. Voor de grote winkelcentra buiten de stad en de grotere vestigingen van de retailers is dat geen probleem, maar met de opkomst van de ‘gemakswinkels’ die veelal in stadscentra of gewone woonwijken zijn gevestigd kan de bereikbaarheid wel problematisch zijn.

Overigens: Van Gansewinkel heeft in ons land 45.000 klanten. Het gaat dan van bakkers, horecazaken tot grote industriële complexen.

Elektro: recycleren

De overheid heeft voor verschillende afvalgoederen aparte regels gemaakt voor ophaling en verwerking. Batterijen worden opgehaald via Bebat en retailers hebben daar vaak ook een boxen voor. Elektrische apparaten worden opgehaald en verwerkt via Recupel. Retailers hebben daar ook mee te maken, zeker de hypermarkten. Immers, bij aankoop van een nieuw apparaat mogen de consumenten hun oud exemplaar bij de verkoper achterlaten. (In de toekomst zal de retailer verplicht worden om kleine elektrische apparaten sowieso terug te nemen, of er nu een verkoop is of niet. Er moet dan wel een minimum verkoopoppervlakte zijn. En de wetgever moet nog definiëren, welke apparaten er onder ‘kleine elektrisch’ vallen.)

Mogen retailers die oude elektrische apparaten dan naar het containerpark brengen? Katrien Verfaille, communication manager Recupel zegt dat dat in bepaalde regio’s mag, maar niet overal. Die containerparken zijn overigens goed voor 60% van de ingeleverde elektrische toestellen.

“Een retailer kan wel in samenwerking met Recupel een ophaalpunt opzetten. Hij gaat dan met onze organisatie een contract aan en wij plaatsen een houten box op een pallet. Volgens die overeenkomst komen we minstens vier keer per jaar ophalen,” aldus Verfaille. Recupel heeft geen eigen ophaaldienst. Men werkt daarvoor samen met onderaannemers. Als een retailer een volle box heeft, doet hij een transportaanvraag.

Ketens kunnen zelf een deel van het transport opzetten en de oude apparaten in een eigen centraal depot samenbrengen, waar Recupel ze dan komt ophalen. Elektro-ketens als Krëfel en Vande Borre werken op die manier. Verfaille zegt dat wie wil ophaalpunt kan worden. Daar staat zelfs een - kleine - vergoeding tegenover. “Dat gaat per vierkante meter die ervoor beschikbaar gesteld wordt en voor het vrijstellen van een medewerker daarvoor.

Een optie is ook om de apparaten in het netwerk van kringloopwinkels te brengen. Maar dan moet het gaan om herbruikbare tweedehandstoestellen.

Auteur: 

Gondola Magazine